Een rode loper voor de directrice

Tapijt, Viering, Red, Rich, Vip

Column 7 Een rode loper voor de directrice.

Als je het woord directrice hoort, waar denk je dan aan? Juist, aan een vrouw in een pak en op van die nette, gepoetste schoenen. In haar ene hand een koffer en in de andere hand een telefoon. Op het eerste gezicht lijkt het alsof alles klopt aan deze vrouw, maar zou dit daadwerkelijk zo zijn?

Zucht, het is maandag en ik mag weer aan het werk, of moet weer aan het werk? Mijn lichaam voelt zwaar, en ik besluit de automatische piloot maar weer van stal te halen. Mijn tas is ingepakt en voor dat ik het weet zit ik op de fiets. Ik fiets langs de busbaan en voel hoe ik hard tegen de wind in moet trappen. Eenmaal de brug over voel ik de spanning, als ik de hoek om ben ga ik richting mijn werkplek. Heb ik hier zin in? Nee! Moet dit? Ja!

De directrice van mijn werk komt op een ochtend aangereden in haar Audi. Ze parkeert en stapt met haar neus in de wind uit. Op het kantoor is duidelijk wanneer de directrice aanwezig is, ze ziet de opvangplek als haar eigen kind. Een van mijn collega’s schiet onder de tafel als ze de directrice op het plein ziet lopen.  De uitstraling van het pand moet in topconditie zijn. Het gangpad naar de hoofdingang moet onkruid vrij zijn, en op de deurmat is geen oneffenheid te vinden. Een rode loper voor de directrice

Toch merk ik dat de directrice het personeel aan zijn lot over laat. In het begin zijn er personeelsfeesten, met bekende artiesten. Ook met kerst is er voor iedereen een groot kerstpakket. Maar al snel kan er geen compliment meer vanaf. De directrice moet verdorie blij zijn dat we voor haar werken, anders was er niks te verdienen. Er heerst een negatieve sfeer en collega’s zijn somber omdat ze geen uitdaging zien. Er zijn irritaties omdat collega’s op hun tenen lopen. Ik wil niet naar het werk en huilend thuiskomen.

Ik begrijp dat de directrice stress kan ondervinden van het runnen van een bedrijf. Desondanks keur ik het niet goed om deze stress te uitten op het personeel. Na jaren alles maar slikken wat ze tegen mij zeggen, ben ik me nu bewust van wat ik zelf belangrijk vind. Laten we elkaar de waardering geven die de ander verdiend. Doe eens gek organiseer een gezellige avond met elkaar en zorg dat je als team op die rode loper komt te staan!

Liset van de Sanden draaide tien jaar mee in het stramien van de reguliere kinderopvang. Het zat haar niet lekker. In haar columns kijkt ze terug en wil ze mensen aan het denken zetten: hoe sluiten we beter aan op de behoefte van het kind.

Jij bent stout!

Jij ben stout!

‘Poe, dit was geen beste dag van Kees’ verteld de leidster. Kees is vijf jaar oud en wordt door zijn vader van de opvang gehaald. De leidster verteld dat Kees onder het eten niet kan stilzitten, en drie keer een ander kind duwde. Kees staat naast zijn vader en zegt: ‘Ik deed het niet expres.’ Vader zegt zuchtend: ‘Wat hadden we afgesproken?’ Je zou luisteren naar de leidster. De leidster bekijkt het van een afstand. Vader gaat in discussie met Kees waarom hij niet geluisterd heeft. Kees wil weglopen, maar vader houdt hem tegen. Uiteindelijk kan Kees toch naar de deur rennen, vader gaat achter hem aan.

‘Jij bent stout!’ Is een kind stout als het een grote mond heeft? En wat is een grote mond? We hebben allemaal onze dag wel eens niet, we willen geen gezeur aan ons hoofd hebben. Zo werkt dat bij kinderen ook, maar mogen kinderen hun dag niet hebben? Ieder kind heeft een karakter. Na tien jaar ervaring in de kinderopvang zie ik nog steeds niet duidelijk hoe we als organisatie het straffen aanpakken. Moet het kind sorry zeggen en hoelang krijgt een kind straf?

Collega’s zetten kinderen op een andere groep of zelfs buiten de groep. Een kind weet op deze manier niet waar het aan toe is. Ik heb meegemaakt dat een kind een half uur voor straf zat of waar de straf totaal geen indruk maakte. Of dat het kind helemaal niet begreep wat er aan de hand was. Dit zijn signalen die je in de gaten moet houden. Wat moet een kind niet denken als het apart van de groep wordt gezet? Ik hoor er niet meer bij? Maar zij mag nog wel onderdeel van de groep zijn. Hoe denken ouders erover dat een kind buiten de groep word geplaatst?

Bekijk in welke situatie het kind zich bevindt. Zijn er veel prikkels? Zorg dat je eerst de prikkels buitensluit. Verplaats je in het kind.  Als het bijvoorbeeld een driftbui heeft, vertel aan het kind dat je ziet dat het boos is. Maar leg, ná het kalmeren, uit welk gedrag je niet wilt zien en welk gedrag je wel wilt zien. Het kind moet zich in deze situatie veilig blijven voelen.

Je zal je misschien nu afvragen hoe het met Kees gaat. Zullen we een kleine glimp van de volgende ochtend proberen op te vangen?! De deur van het lokaal zwaait open en lachend stapt Kees naar binnen. ‘Hoi juf, ‘hier ben ik weer, wat gaan we vandaag doen?’ De leidster vraagt aan Kees: ‘Wat vind je vandaag leuk om te gaan doen?’ Kees antwoordt direct: ‘Ik wil heel graag buiten voetballen juf’. Vader staat ernaast en houd zijn hand op Kees zijn schouder. Volgens mij gaan jullie er samen een fijne dag van maken

Een kind dat je achter het behang zou willen plakken en de rest van de groep kinderen, ouders en collega’s die ook je aandacht vragen.  Maak het onderwerp bespreekbaar onder elkaar en probeer het niet allemaal alleen op te lossen.

Wanneer was jij voor het laatst licht ontvlambaar?

Liset van de Sanden draaide tien jaar mee in het stramien van de reguliere kinderopvang. Het zat haar niet lekker. In haar columns kijkt ze terug en wil ze mensen aan het denken zetten: hoe sluiten we beter aan op de behoefte van het kind.

Kijk, mijn handen zijn groen!

Kijk mijn handen zijn groen!

Verf, Hand, Groene, Schilderen, Creatieve, Kleuren

‘Juf, ik weet niet wat ik moet doen.’ ‘Juf ik weet niet welke kleur ik moet gebruiken.’ Ik betrap mezelf erop dat ik twijfel over mijn activiteit. Ik vraag me af: wat vinden mijn collega’s ervan?

De kinderen staan te wachten tot zij een schort mogen aandoen. Het is zo groot dat je bij de jongere kinderen alleen hun voeten eronder uit ziet komen. Vandaag gaan we verven en de kinderen klimmen op de banken. Kijk, wat staat erop tafel? Verfflessen, kwasten, verfbakken en water om de kwast uit te spoelen. Sommige kinderen pakken een kwast en beginnen zichzelf ermee te aaien.

Laat een kind de keus of het de kwast gebruikt, of liever met zijn handen verft. De jongere kinderen vinden het heerlijk om de verf tussen hun vingers te voelen. Wie kan zich het herinneren van vroeger. Het liefst mengde je alle kleuren verf door elkaar. ‘Kijk mijn handen zijn groen!’ Een lik verf in de haren of over het gezicht, de kinderen gaan op in het verven. Er komt bij mezelf ook een druppel verf op mijn kleding. Het hindert mij niet, als ik zie wat een plezier de kinderen hebben.

Als de kinderen klaar zijn vraag ik of ze de verftekening mooi vinden. Je kunt ook vragen wat de kinderen zelf van de verftekening vinden. Dan gebruik je niet het wordt mooi. Want wat is mooi? Dit is voor iedereen verschillend!

Na de verfactiviteit kijkt mijn collega mij afkeurend aan. Haar verfactiviteit ziet er anders uit. De kinderen zitten aan tafel en de juf doet voor wat ze moeten maken. Als de juf langs de tafel loopt, corrigeert zij de kinderen als zij de verkeerde kleur gebruiken. Ja, daar krijg ik buikpijn van. Vaak maken collega’s ook een voorbeeld van hoe het knutselwerk eruit moet zien. Als je alle knutselwerken aan de muur hebt hangen, zien ze er allemaal hetzelfde uit. Waar is dat goed voor?

Ik laat de collega vertellen hoe zij de situatie ziet, en vervolgens leg ik uit dat de creativiteit van een kind belangrijk is. Een kind maakt hier zelf keuzes in. Laat een kind zijn gang gaan! Een kind hoeft niet aan de juf te vragen wat hij moet doen, of dat hij het goed doet. Lekker smeren en kliederen. Wees je hiervan bewust! Ik vraag de collega de situatie anders aan te pakken en te bekijken en voelen wat er gebeurt als je de kinderen zelf aan het werk laat gaan. Ik wil niet met de belerende vinger zwaaien, maar wel uitleggen wat ik zie gebeuren.

Liset van de Sanden draaide tien jaar mee in het stramien van de reguliere kinderopvang. Het zat haar niet lekker. In haar columns kijkt ze terug en wil ze mensen aan het denken zetten: hoe sluiten we beter aan op de behoefte van het kind.

De jongen op de bank

De jongen op de bank

Een dunne jongen van drie jaar, als ik hem aankijk lacht hij verlegen naar mij. `s Ochtends komt hij aan de hand van zijn vader binnen. De kinderen op de groep zijn luidkeels aan het spelen. De jongen houdt zijn schouders naar voren en kijkt naar beneden. Het is tijd om afscheid te nemen van zijn vader. De jongen gaat op de stoel voor het raam staan en zwaait zijn vader uit

Op de tafel staat fruit en drinken, de andere kinderen vertellen hun weekendverhalen. Na het eten zit de jongen als enige aan tafel. Ik vind het prima dat hij daar op zijn gemak zit. Een collega loopt langs en zegt met stemverheffing: ‘Nu is het mooi geweest aan tafel.’ De jongen schrikt en kijkt op, zijn ogen lijken waterig. Hij klimt houterig van tafel.

De kinderen zijn deze ochtend vrij aan het spelen. De jongen gaat met een boek op de bank zitten.

De deur zwaait open en daar is de juf van de drie-plus groep: waar de oudste kinderen naar toe gaan als voorbereiding op school. Ze roept alle oudste kinderen op om mee te gaan. De jongen zit verstijfd op de bank. Dan noemt de juf zijn naam op.

De kinderen maken een rij, twee aan twee. De jongen schuift schoorvoetend naar de rij. De deur gaat open en de rij kinderen loopt door de gang naar een ander lokaal. De jongen gaat langzamer lopen, struikelend over zijn eigen benen. Hij begint te huilen en de andere kinderen blijven staan. De juf vraagt of de jongen een hand wil, de jongen komt niet uit zijn woorden van het huilen.

Eenmaal in het andere lokaal wordt er gezongen. De jongen zingt stil mee. Hij doet mee aan een knutselactiviteit aan tafel. Na een ochtend spelen in het andere lokaal is het tijd om naar de huidige groep te gaan. De jongen haalt opgelucht adem, ook op de terugweg loopt hij achteraan.

Als vader de jongen komt ophalen, geeft hij hem een knuffel. Ik vertel vader hoe het met hem gegaan is. Ik vraag aan de jongen of hij het leuk heeft gehad, hij glimlacht. Ik vraag me af waarom hij mee naar de drie-plus groep moest. Vond hij het zelf leuk of was het alleen omdat het hoorde bij de opvang?

Ik kan het niet loslaten en stel mij voor wat wij als leidsters hadden kunnen doen. Ik beleef de situatie opnieuw, maar dan met een andere aanpak. Nadat de jongen van vader afscheid heeft genomen, had ik hem een compliment kunnen geven. Ik had kunnen zeggen dat ik het knap vind dat hij naar vader heeft gezwaaid. Ik had op een kleine stoel naast hem kunnen gaan zitten. Ondertussen zeg ik tegen de jongen ‘Wat is het al druk op de groep hé?’. De jongen zou misschien niets teruggezegd hebben, maar hij had vast erkenning gevoeld voor zijn eigen gevoelens.

Als de jongen naar de drie-plus groep gaat had ik hem verteld dat hij naar de leidsters mag gaan als er iets is wat hij niet leuk vindt. Ook had ik kunnen afspreken dat als hij terug op de groep zou zijn, we samen zouden kletsen hoe het gegaan was.

Als de jongen dit vertrouwen heeft in de leidster, kan de leidster samen met de groep kinderen praten over hoe zij het vonden op de drie plus groep. Op deze manier krijgt de jongen ook het vertrouwen om actief mee te doen in het kringgesprek. Ook kan hierin besproken worden hoe de kinderen elkaar kunnen versterken in deze situaties. Zo geef ik de jongen mee dat zijn gevoel ertoe doet.

Hoe ga jij om met buitenbeentjes? Of was je zelf een buitenbeentje? Reageer!

Liset van de Sanden draaide tien jaar mee in het stramien van de reguliere kinderopvang. Het zat haar niet lekker. In haar columns kijkt ze terug en wil ze mensen aan het denken zetten: hoe sluiten we beter aan op de behoefte van het kind.

Met kinderen werken kan iedereen. Ja,ja.

Met kinderen werken kan iedereen. Ja, ja.

Iedere dag een frisse neus, dat was mijn motto tijdens mijn werk in de kinderopvang. Mijn collega’s vonden het in de winter koud om naar buiten te gaan. Als het begon te regenen, stonden ze als eerste binnen. Tijdens het buiten spelen, stonden ze te praten met collega’s of waren binnen aan het schoonmaken. Ik dacht: joh, is dat schoonmaken belangrijk? Niemand sprak elkaar er op aan, want vond ik dat jammer! nu denk je als lezer: zei jij er nooit wat van?

Een collega zei eens: ‘Met kinderen werken kan iedereen.’ Maar ze zat net als mijn andere collega’s niet in de zandbak. Dat was vies en er kwam zand in je schoenen. Ik kreeg daar buikpijn van, wat een gemiste kans om contact te maken met een kind. Als het had geregend, mochten ze niet in de zandbak spelen, te vies. Maar de leidsters vergaten dat je met nat zand mooie taartjes kunt maken. En wat kan kinderen die vieze handen schelen?

Mijn coach noemde wat ik deed: door een wc-rol kijken. Hoe is het voor een kind om met zand te kunnen spelen? Het is fijn om de structuur van het zand in je handen te voelen. Kinderen maakte diepe en lange gangen in het zand. Ze gooide met het zand en namen het zand mee uit de zandbak. Ze maakten er lekkere ijsjes van. De jongens die zich eigenlijk te groot voelden voor de zandbak, stonden al snel enthousiast mee te scheppen. Kijk, eens juf ik heb een tunnel in het zand gemaakt.

`s Winters vond ik het heerlijk als het ijzig koud buiten was, om een frisse neus te halen. Ik zag de kinderen genieten, de rode wangen, een hijgende mond van de inspanning. Ze zeiden het niet, maar ik las in hun ogen: ‘Juf’ wat fijn dat we samen buiten zijn. Daar heb ik het jaren voor gedaan, die gezichten van de kinderen die zichzelf mochten en konden zijn.

Hoe kijk jij aan tegen buiten spelen en ander geklieder van kinderen? Lukt het jou om je in een kind te verplaatsen? Reageer!

Kinderopvangfabriek

Kinderopvangfabriek

‘s ochtend stond de koffie klaar. Ouders droegen de kinderen over aan de leidsters. De kinderen bekeken waar ze deze dag mee zouden gaan spelen. Ik vond het een rust moment voor leidster, ouders en kind.  Het was 2004 toen ik begon in de kinderopvang, als stagiaire.

Mijn eerste werkplek was in 2006 en bevond zich in een wijk die net gebouwd was. Het gebouw telde twee verdiepingen met op iedere verdieping zes groepen. Na een aantal jaar werd er een tweede gebouw neer gezet. Als je binnenkwam hing er aan het plafond een kroonluchter en aan de muren hingen schilderijen met kunst.Ik kreeg het idee dat het om de kwaliteit van de opvang ging. En niet om de kwaliteit van de ontwikkeling van kinderen.

Ik groeide met het bedrijf mee dus kende alle ouders en kinderen. De nieuwe ouders moeten zich overweldigd gevoeld hebben in onze kinderopvangfabriek. De groepen waren geschakeld: je had per leeftijdscategorie twee kleinere groepen, dit voor een huiselijke sfeer. Ik probeerde voor ouders en kinderen open te staan. Toch merkte ik dat ouders hun kind af zetten en richting hun werk vertrokken. Weg was het rustmoment uit mijn begintijd, dat voor iedereen waardevol was.

Tijdens mijn werk en studie ervaring zag ik kinderen die…… boos waren, geen land mee te bezeilen, en dan….. een boekje. Het humeur draaide om.